Er zijn momenten in het jaar waarop de wereld even lijkt stil te staan.
Niet omdat er niets gebeurt, maar omdat alles tegelijk ademt.
De lucht verandert van toon, de aarde verschuift van houding en ergens tussen die twee bewegingen ontstaat een ruimte waarin oude angsten zichtbaar worden.
In die ruimte, precies daar waar het licht nog twijfelt of het mag binnenvallen, ontstaan de verhalen die ons iets willen vertellen.
Verhalen die niet schreeuwen, maar fluisteren.
Verhalen die zich vermommen als fabels, zodat we ze durven lezen zonder ons meteen aangesproken te voelen.
Dit is zo’n verhaal:
een kleine vertelling over een nog kleinere hamster, die groter bleek dan zijn eigen schaduw.
Toen de winter eindelijk brak en de eerste scheuren in het ijs verschenen, kwam er een zachte trilling door het bos.
Het was geen wind, geen vogel, geen vallende tak.
Het was de lente zelf, die zich voorzichtig uitstrekte als iemand die na een lange slaap zijn armen boven het hoofd tilt.
De bomen knipperden met hun knoppen, de grond ademde weer en overal begonnen dieren hun holen te verlaten.
Behalve één.
Diep onder een oude eik zat een hamster, klein maar gespannen als een strakgetrokken snaar.
Zijn wangen stonden bol van de voorraad die hij al maanden verzamelde.
En hoewel de lucht boven hem warmer werd, bleef hij doorgaan:
noot na noot, zaadje na zaadje, alsof de winter elk moment kon terugkeren en hem zou verrassen met een nieuwe golf van kou.
Iedere ochtend glipte hij naar buiten, keek schichtig om zich heen en haastte zich dan weer terug naar zijn hol om nóg meer te verzamelen.
Zijn hart bonsde sneller dan zijn pootjes konden dragen.
Hij had de storm overleefd, ja, maar de storm had ook iets in hem achtergelaten.
Een echo.
Een schaduw.
Een stem die fluisterde: “Je hebt nooit genoeg.”
Op een dag kwam de Merel langs, die altijd als eerste de lente begroette.
Ze keek naar de hamster en kantelde haar kop.
“Waarom blijf je sjouwen, kleine vriend?
De sneeuw is weg.
De zon is terug.
Het bos is vol.”
De hamster snoof nerveus.
“Je weet nooit wanneer het weer misgaat.
Misschien komt er morgen een nieuwe storm.
Misschien volgende week.
Misschien straks.
Ik moet voorbereid zijn.”
De Merel zuchtte zacht, alsof ze een liedje wilde zingen maar het nog niet durfde.
“Voorbereid zijn is wijs,” zei ze.
“Maar angst is een bodemloze put.
Je kunt er alles in gooien, maar het wordt nooit vol.”
De hamster draaide zich om, alsof hij haar niet gehoord had.
Maar haar woorden bleven in zijn wangen hangen, tussen de noten die hij zo krampachtig vasthield.
Dagen gingen voorbij.
De lente werd uitbundiger, het bos voller, de lucht lichter.
De hamster bleef verzamelen, maar zijn hol werd zo vol dat hij er nauwelijks nog in kon bewegen.
Hij sliep slecht, at haastig en voelde zich steeds zwaarder.
Niet door de voorraad, maar door de angst die eraan kleefde.
Tot op een ochtend de zon zo fel naar binnen scheen dat hij zijn ogen moest sluiten.
Hij hoorde buiten gelach, geritsel, leven.
En voor het eerst voelde hij iets anders dan angst:
een zachte, bijna vergeten nieuwsgierigheid.
Hij kroop naar buiten.
De lucht rook naar aarde en belofte.
De bomen wiegden in een ritme dat hij niet meer herkende.
En overal zag hij dieren die genoten, speelden, bouwden, zongen.
Zonder haast, zonder paniek, zonder de last van een winter die al lang voorbij was.
De hamster ging zitten.
Zijn wangen zakten langzaam omlaag.
Een noot rolde uit zijn pootjes en toen nog één. 
Hij keek ernaar alsof hij ze voor het eerst zag.
Misschien, dacht hij, is overvloed niet iets wat je bewaart.
Misschien is het iets wat je durft te vertrouwen.
En terwijl hij daar zat, voelde hij voor het eerst in lange tijd de warmte van de zon op zijn rug.
Niet als een waarschuwing, maar als een uitnodiging.
Moraal:
Wie blijft hamsteren wanneer de storm al voorbij is, draagt de winter in zichzelf.
Pas wanneer je durft los te laten, kan de lente werkelijk beginnen.
En zo eindigt het verhaal van een dier dat niet groter was dan een handvol aarde,
maar dat ons een spiegel voorhield waarin we meer zagen dan we misschien wilden toegeven.
Want ergens in ieder van ons zit een kleine verzamelaar, een waker, een hoeder van voorraden die we niet altijd nodig hebben.
Soms is het genoeg om even stil te staan, de lucht te ruiken en te beseffen dat de lente niet vraagt om bewijs.
Alleen om vertrouwen.
Wie dat begrijpt, loopt lichter verder, met lege wangen maar een voller hart.
En wie luistert naar zulke fluisterende fabels, vindt hun cirkelende echo’s altijd terug in de rituele verhalenstromen van digim@ri.nl