We staan in de rij voor een achtbaan in de Efteling als mijn dochter me aankijkt en zegt:
“Ik ben anders nooit angstig, maar ik denk dat ik jouw angst voel.”
Het raakt me. Niet omdat ze ongelijk heeft, maar juist omdat ze zó goed aanvoelt wat jarenlang mijn blinde vlek was. Een trauma dat ik haar heb meegegeven.
Ironisch eigenlijk, want ondanks mijn angsten is zij juist ongekend weerbaar. Ze slaapt rustig in het vliegtuig, staat vooraan op festivals en sprong zonder twijfel van het brugwachtershuisje. Niks aan de hand. Het enige waar ze bang voor is… ben ik. Bang dat ík wegloop in de drukte. Dat ík het niet trek. Dat een paniekaanval ons uitje verpest.
We belanden daardoor weel eens in een vicieuze cirkel. Zij werd boos van stress, ik raakte daardoor nog sneller in paniek. Maar nu, in die rij, kijkt ze me met grote ogen aan. Ik kijk terug, quasi-verontwaardigd. “Angst? Ik stond net te bedenken of ik nog Labello moest opdoen.”
We schieten allebei in de lach, smeren Labello op onze lippen. En zo stappen we voor het eerst samen de achtbaan in, terwijl ik voor het eerst in jaren zonder paniek door een pretpark loop.
De kar takelt omhoog, houdt op het hoogste punt even in, en duikt dan omlaag. Ik gil. Zij niet.
“Ik vind het gewoon niet eng,” zegt ze schouderophalend.
We rennen van achtbaan naar achtbaan. En waar ik twee jaar geleden bij de eerste duizeligheid al naar huis had gewild uit pure angst voor de angst, kan ik nu blijven zitten. Rusten op een bankje, water drinken, broodje eten. De Efteling draait even, maar ik blijf.
Later op de dag komen we bij de hoogste achtbaan. Noa zegt dat ze haar ogen dicht wil doen.
“Nee,” zeg ik, “jij hebt me de hele dag gedwongen. Jij doet je ogen open.”
Ze lacht. “Ben je bang dat we vast komen te staan?”
Maar nee. Ik ben nooit bang geweest voor crashes of snelheid. Ik was bang voor mezelf. Voor mijn lichaam dat altijd zomaar onder me weg kon zakken. Voor de gedachte dat ik haar teleurstelde. Dat ik haar mee het park uit moest sleuren omdat ik het niet aankon.
Dat wordt gelukkig minder. Niet weg, maar minder.
Een angststoornis uitzetten is geen knop. Het is leren begrijpen dat overprikkeling geen levensgevaar is. Dat tranen geen zwakte zijn. Dat rust geen opgave is. En dat ik mijn lichaam niet hoef te bevechten, maar mag bedanken omdat het me al die jaren overeind hield.
Grappig genoeg voel ik me in tegenstelling tot de rij, in een achtbaan het veiligst. Vastgeklikt, geen controle nodig. Sleur me maar naar de maan, prima. Maar zet me niet op een wiebelige uitkijktoren ,dan vraagt mijn hoofd zich ineens af wat er zou gebeuren als ik zou springen. Dát maakt me duizelig.
En nu, dagen later, lig ik op de bank van de overprikkeling. Hoofdpijn, trillende benen, eten dat eruit komt, tranen. MCAS eist zijn tol.
Maar het mag.
Omdat één dag vol vrijheid meer waard is dan drie dagen bijkomen.